In gedachten liep ik door een smalle straat terwijl het regende. Niet zo’n stortbui die iedereen naar binnen jaagt, maar zo’n gestage, doorzettende miezer die de stad grijs en glanzend maakt. Mijn capuchon had ik opgezet, anderen om me heen hielden hun paraplu’s stevig vast.
Voor me naderde iemand met een grote paraplu. We liepen recht op elkaar af, allebei op een route die even vanzelfsprekend als onvermijdelijk was. Er was geen ruimte om uit te wijken, geen duidelijke regel die bepaalde wie opzij zou gaan. Maar net op het juiste moment kantelden we allebei een fractie naar de zijkant. Een lichte, vloeiende beweging, mijn schouder een beetje naar achteren, hun paraplu een tikje scheef. Zonder woorden, zonder oogcontact, zonder vertraging bewogen we om elkaar heen, en liepen gewoon verder.
Het moment was zo klein dat het nauwelijks bestond. Maar als het er niet was geweest, als die afstemming niet vanzelf had plaatsgevonden, dan had er iets gekneld. Een ongemakkelijke schouderduw, een natte jas, een haastig ‘sorry’ terwijl we ons even uit de gedeelde ruimte hadden moeten loswrikken.
Ik vroeg me af hoe vaak we op deze manier bewegen zonder dat we het beseffen. Hoeveel van onze interacties niet gaan over expliciete keuzes, maar over een fijngevoelig samenspel waarin we elkaars aanwezigheid erkennen, zonder dat we daar bewust over nadenken.
Dit was geen ‘ik ontwijk jou’ en geen ‘jij wijkt voor mij’. Het was een gebeurtenis die tussen ons ontstond. Mijn pas en hun pas, mijn beweging en hun beweging, geen van beiden bewust gepland, maar perfect afgestemd.
Misschien is het leven minder een reeks van beslissingen en meer een continue verandering door kleine verschuivingen. Misschien ligt verbinding niet in het groots erkennen van de ander, maar in het nauwelijks merkbare meebewegen met wat zich voordoet.
Ik liep dus door een smalle straat in de regen. En zonder dat we het wisten, bewogen we samen.