Er was eens een reiziger van ergens ver voorbij de rand van wat wij werkelijkheid noemen. Niemand wist precies waarvandaan hij kwam. Misschien uit een ster die nog moet ontstaan, misschien uit een gedachte die niemand ooit had durven denken. Hij was niet groot, niet klein, niet bijzonder.
Op een dag kwam hij bij een dorp waar mensen zich graag afgrensden. Ze hadden hekken, schema’s, kaders, rollen. Ze wisten waar ze woonden en welke centimeter van de grond van hen en welke van de buurman was. En ze wisten wie ze waren, dat was belangrijk namelijk.
Iedereen moest tenslotte begrijpen wat zijn plek was. Iedereen moest weten waar de grens liep tussen juist en vaag. Tussen binnen en buiten.
De reiziger keek het eens een tijdje aan maar op een dag vroeg hij zomaar opeens aan iedereen die hem horen wilde: “wat nu als jij nergens ophoudt? De ander begint namelijk ook in jou.”
De mensen waren verward. Wisten niet wat ervan te denken. Knepen zichzelf en de anderen eens in de huid om te voelen dat ze toch echt afgebakende wezens waren.
Ze besloten naar de reiziger te gaan en hem dit alles te vertellen. Hij lachte slechts en zei: “Alles wat je van mij ziet, is gevormd in jouw ogen. Alles wat ik van jou ervaar, ontstaat in mijn waarnemen.”
De mensen fronsten. Ze wilden zekerheid. Richtlijnen. Iets om op te bouwen. Hier konden ze toch niets mee? Teleurgesteld dropen ze af..
Maar zijn woorden gedroegen zich als water: ze stroomden langs het verstand en sijpelden ergens anders naar binnen.
In de dagen daarna begonnen de dingen een beetje te verschuiven.
Iemand merkte dat hij zich anders voelde in de buurt van een collega. Niet omdat die ander veranderde, maar omdat hij zelf iets anders werd.
Iemand anders voelde zich onrustig tijdens een vergadering, alsof er een stem miste die er niet was maar toch invloed had.
En een derde, de jongste, begon zelfs dingen op te schrijven die ze niet eens begreep. Zinnen als: “Ik besta nergens alleen” of “Wat als onbehagen gewoon het begin van verbinding is?”
De reiziger bleef niet lang. Hij verdween zoals hij gekomen was: zacht, nauwelijks merkbaar. Maar sinds die dag was niets meer helemaal vanzelfsprekend.
En soms, heel soms, als het ongemak weer aan tafel zat, in een gesprek dat geen richting wilde vinden, of een besluit dat geen bodem leek te hebben, dan herinnerde iemand zich ineens:
Misschien zijn we al verbonden. Zijn we nooit los geweest. Moeten we alleen af en toe herinnerd worden aan dat feit.