Jaren geleden was ik docent in een school voor speciaal voorgezet onderwijs. Maar soms voelde ik me als een archeoloog die door een ruïne van labels struinde. Hier waren kinderen niet zomaar kinderen; ze waren codes, classificaties, DSM-5-nummers. 'Autisme', 'ODD', 'faalangst', 'trauma'.
Het vreemde was: ik zag dat nooit zo.
Als er écht iets 'mis' was met deze jongeren, als ze echt zo 'waren', waarom veranderden ze dan zodra de context verschoof? Waarom bloeide de 'drukke' leerling op in gymlessen en kreeg hij daar complimenten over zijn inzet en overzicht op het speelveld, maar werd hij in het klaslokaal als probleem gezien? Waarom luisterde het 'ongeïnteresseerde' kind wél aandachtig als het onderwerp hem raakte? Waarom werd het 'ongevoelige' meisje ineens zacht als ze merkte dat ik haar niet probeerde te 'corrigeren'?
Het was alsof de wereld hen vertelde: dit ben jij. Maar zodra de wereld zelf verschoof, verschoof ook hun 'ik'. Maar als deze jongeren niet vastlagen, als ze niet 'bestonden' buiten de ontmoeting met hun omgeving... wat zei hun label dan eigenlijk over hen?
Ik had destijds al moeite met hoe we over identiteit spraken. Onze samenleving vertelt ons dat je bent wie je bent. Je hebt een vaste kern, een diepste zelf dat in jou huist.
Maar als identiteit écht alleen maar een construct was, waarom voelde het dan niet zo? Waarom veranderden deze jongeren niet willekeurig, maar alleen als de omgeving meebewoog? Waarom voelde identiteit soms tastbaar, bijna materieel? En op een ander moment als iets dat gevormd werd in het moment, in de ruimte tussen hen en de wereld?
Wat als identiteit geen ding is dat je hebt of bent, maar iets wat gebeurt in de ontmoeting met de wereld? Als je iets doet dat een ander afkeurt, omdat je gezamelijk afgesproken hebt als samenleving, als groep, dan ben je een probeem. In een boeddhistisch klooster is 'weinig oogcontact maken' wijsheid. In een westers klaslokaal is het een rode vlag.
Het deed me denken aan water. Denk aan een rivier. Geef het een krappe bedding, en het stroomt over. Geef het ruimte, en het meandert, beweegt, stroomt vanzelf. Koel het af en het wordt hard als steen, verwarm het en het wordt vluchtig.
Op dezelfde manier kon ik naar de jongeren kijken. De diagnoses die deze jongeren kregen, waren in mijn ogen geen vaststaande feiten. Ze bestonden binnen een bepaalde maatschappelijke en wetenschappelijke context, die bepaalde welke eigenschappen als een 'probleem' werden gezien en welke niet.
Als ik nu terugdenk aan die jongeren kan ik het duidelijk zien: Zij waren niet 'anders', hun omgeving was niet vloeibaar genoeg.