"Een leraar moet het goede voorbeeld geven." Het klinkt vriendelijk, alsof het vanzelf spreekt. Natuurlijk wil je iets laten zien waar kinderen wat aan hebben. Je bent de volwassene in de ruimte, degene met ervaring, degene die vooroploopt.
Maar ergens wringt het ook. Want wat betekent dat eigenlijk, het goede voorbeeld? En wie bepaalt wat dat precies is? Het idee dat je als leraar een voorbeeld bent, wekt de indruk dat leren vooral gebeurt door te kijken en na te doen.
Alsof leerlingen spiegels zijn, die jouw gedrag reflecteren en zo iets oppikken over hoe het moet. Maar kinderen zijn geen spiegels. Ze nemen niet simpelweg over wat jij laat zien, maar bewegen ermee, voegen iets toe, maken er iets nieuws van dat aansluit bij hun eigen manier van voelen, denken, reageren.
Wat zij van jou zien, komt niet één-op-één binnen, maar reist langs hun ervaringen, hun context, hun lichaam, hun geschiedenis. En juist daardoor ontstaat iets wat geen kopie is, maar iets eigens. Leren is geen transmissie, geen overdracht van het juiste gedrag, maar een voortdurend spel van betekenis geven en herzien.
Het idee van het goede voorbeeld draagt ook iets impliciet geruststellends in zich, alsof jij er al bent, alsof jij weet hoe het moet. Alsof je iemand bent die stabiel, wijs en moreel juist handelt. Maar dat is een onmogelijke positie. Want wat als je zelf ook nog zoekend bent, twijfelt, dingen probeert en soms faalt?
Wat als het echte voorbeeld niet zit in hoe goed je alles al onder controle hebt, maar juist in hoe je omgaat met onzekerheid, met verandering, met de spanning tussen wat je denkt te weten en wat je opnieuw moet leren zien?
Leerlingen leren niet doordat jij perfect bent, maar doordat ze je zien bewegen. Ze zien je nadenken, reageren, terugkomen op iets, iets beter proberen te begrijpen. Ze leren van jouw menselijkheid, niet van jouw afheid. En dan is er nog iets. In een klas met uiteenlopende achtergronden, overtuigingen en manieren van kijken, is er niet één universeel idee van wat ‘goed’ is.
Een leraar die probeert één ideaal voor te leven, hoe goedbedoeld ook, loopt het risico andere perspectieven uit te sluiten, zonder dat te willen. En dat maakt het voorbeeld niet per se fout, maar wel begrensd. Misschien gaat het er dus niet om dat jij het goede voorbeeld bent, maar dat je ruimte maakt voor onderzoek. Dat je geen moraal laat zien, maar nieuwsgierigheid. Dat je niet boven de klas staat, maar in de klas aanwezig bent als iemand die ook vragen heeft. Die ook geraakt wordt, zich soms vergist, zich laat verrassen. Niet om gevolgd te worden, maar om samen te leren.