Mijn eerste stage als zij-instromend biologiedocent. Ergens in de derde of vierde week. Ik stond voor een klas vol pubers die meer bezig waren met elkaar dan met de les... en het was die dag ruim dertig graden. Ik kwam het klaslokaal binnen, startte de les, gaf uitleg, veegde toen dit klaar was het zweet van mijn voorhoofd en zei vervolgens tegen de klas: 'laten we het vandaag eens anders doen.'

“We gaan dit lesuur niet hierbinnen in stilte werken,” zei ik. “We gaan naar buiten!”

Verwarring. Een paar leerlingen keken me aan alsof ik gek was. “Buiten?” vroeg iemand. “Ja,” zei ik, “en als de directeur langskomt, doe dan even alsof jullie keihard aan het zwoegen zijn op windbestuivende planten.” Gelach. Een paar jongens grijnsden naar elkaar, maar ze pakten hun spullen en liepen mee.

En toen gebeurde er iets vreemds. Terwijl ze op het gras zaten en tegen de fietsenstalling leunden, deden ze méér dan ik in het lokaal van ze had verwacht. Ze bespraken de stof, hielpen elkaar, schreven zonder dat ik er continu bovenop moest zitten. Corrigeren was niet nodig. En aansporen ook niet.

Toen we terug naar binnen gingen, vroeg ik me af: waarom doen we dit niet altijd zo? Maar ik wist het antwoord al. Omdat het ‘zo niet hoort’. Omdat onderwijs moet plaatsvinden aan tafeltjes, in rijen, met een boek open en een docent die toezicht houdt. Omdat je niet altijd uitzonderingen kunt maken zonder dat leerlingen er misbruik van maken. Omdat niet elk vak zomaar buiten in de zon kan (en ook niet alle leerlingen tegelijkertijd) en we niet onrechtvaardig willen lijken.

Maar ik besefte me ook. we doen dit omdat regels gemakkelijker zijn dan eventueel ongemak.

En daar in dat moment, gebeurde er iets bij me van binnen. Ik had mezelf én de jongeren getoond dat dingen anders kunnen als je bereid bent het gesprek aan te gaan. Niet het inhoudelijke gesprek over wat je voor elkaar wilt krijgen, maar het gesprek oer waarom we dingen op een bepaalde manier doen met elkaar.

Ik wist het toen nog niet, maar dit zou één van de rode draden worden in alles wat ik doe. Heb jij ook eens zo’n moment gehad?