Reflecteren. We doen het in studiegroepen, met ontwikkelplannen, in POP-gesprekken, intervisieformats en teamvergaderingen met werkvormen uit een powerpoint. We plannen het zorgvuldig in. Want reflectie hoort bij professionele ontwikkeling, bij kwaliteit, bij controle. Toch?
Wat we in het onderwijs vaak ‘reflectie’ noemen, heeft weinig meer te maken met wat het ooit was en nog minder met hoe mensen écht leren.
In de Griekse oudheid was reflectie een luxe. Filosofen als Plato en Aristoteles konden zich bezighouden met het goede leven, omdat anderen het land bewerkten, schoenen fabriceerden en het dagelijks leven gaande hielden. Reflecteren werd zo iets voor vrije mannen. Mannen ja, want vrouwen hadden niets te zeggen: Geen overlevingsstrategie, maar een verheven bezigheid. En al ging het over ‘het goede doen’, het stond los van het leven. Denken werd belangrijker dan doen. Contemplatie boven ervaring. We zien dit nu nog terug in de reputatie die filosofie heeft. Lange teksten, abstracte theorieën, intellectuele discussies die los lijken te staan van het dagelijkse leven. Iets voor boekenwurmen en academici, niet per se iets wat je ‘doet’.
In de middeleeuwen werd reflectie onderdeel van religieuze oefeningen, en later, met de komst van het modernisme toen het ‘ik’ centraal kwam te staan, kreeg het de vorm van evalueren, verbeteren, optimaliseren. In de twintigste eeuw namen psychologie en onderwijskunde het stokje over. Reflectie werd iets dat je doet om beter te presteren. En dus: toetsbaar, meetbaar, agendeerbaar.
Vandaag de dag betekent reflecteren vaak: achteraf denken over iets wat je beter had kunnen doen, liefst volgens een norm. We spreken over ‘leerdoelen’, ‘ontwikkelpunten’, ‘groeikansen’. We hebben formulieren, sjablonen, formats. Alles wat zich niet laat vangen in een vinkje, glipt ertussenuit.
En dus zitten we in een teamvergadering. We vullen een reflectieformulier in. We vragen leerlingen om hun eigen leerproces te evalueren met smileys en zelfinschattingen. We bespreken ons persoonlijk ontwikkelplan, en noteren waar we de volgende keer beter in willen worden. Er wordt geluisterd, genoteerd, gerapporteerd.
En ondertussen blijft de echte beweging uit. Want echte reflectie gebeurt zelden op donderdagochtend tussen 10:30 en 11:15.Het gebeurt op het moment dat je je gesprekspartner aankijkt en voelt: hier klopt iets niet.
Op het moment dat je iets zegt, en halverwege merkt: dit gaat niet landen. Als je merkt dat je overneemt wat je had willen loslaten. Als je struikelt, mist, terugdeinst en even niets weet. Dát is reflectie.
Niet als nadenken over, maar als bewustzijn in het moment. Niet als methodiek, maar als gevoeligheid. Niet als afronding, maar als startpunt.
Leren is experimenteren. Je denkt niet achteraf “Hmm, ik miste het schot” of “Oeps, ik stapte mis” om er nog eens een A4-thje over te schrijven hoe je het anders zou doen. Je voelt ín het monent wat er mis ging, waar je meer aandachtig naar mag zijn.
Reflectie gebeurt niet ná de les. Het ís de les. Reflectie is niet iets wat je ná het handelen toevoegt. Het ís het handelen. Het beweegt mee. Het zindert in je lijf, nog voor je het kunt verwoorden. En pas veel later komt daar soms taal bij.
En dat betekent iets fundamenteels voor hoe we omgaan met leren én dus ook met ethische of morele zaken. Ergens voelen we dat aan. Daarom spreken we ook over morele moed. Het lef om je lijf te volgen in het moment.
Wat als reflectie niet alleen een denkproces is, maar een manier van ervaren? Wat als filosofie niet iets is wat je bestudeert op afstand, maar iets wat je belichaamt?
Alles wat we ‘ervaren’, ontstaat in de wisselwerking. Jij en de wereld, jij en de ander, jij en je gedachten… ze zijn niet gescheiden, maar elkaar vormend in het moment. Als we dat zien zijn uitdagingen geen externe zaken, geen ‘dingen’ die om reflectie vragen maar ervaringen in het moment die spiegelen hoe jij je verhoudt tot wat zich aandient in het moment. En omdat alles altijd kan veranderen in het moment, betekent het dat je nooit vastzit in een enkel perspectief. Er is altijd beweging. Altijd een nieuwe manier om iets te ervaren.
Zo was er eens een docent die elke donderdag een jongen uit haar klas wegstuurde. Hij was altijd te druk, daagde anderen uit, gooide haar lessen uit balans. Op papier klopte het allemaal: grens stellen, structuur bieden, rust creëren.
Totdat zij op een donderdag ineens anders aanwezig was. Niet omdat zij dat zo bedacht had, maar omdat zij leeg was. Zonder plan, keek ze hem aan en zei: “Wat heb jij veel te dragen vandaag.” En het enige wat er gebeurde, was dat hij knikte.
Ze had geen tijd om daarover te reflecteren. Geen observatieformulier. Alleen dat moment. Waarin zij haar routine liet zakken. Haar gelijk even losliet. En iets voelde schuiven. Niet in de les, maar in het leven. En ze hem vertelde wat ze voelde in dat moment.
Als we menselijkheid belangrijk vinden, dan moeten we ruimte maken voor een vorm van reflectie die niet los staat van het leven zelf. Die niet achteraf wordt ingevuld, maar midden in het moment gevoeld wordt. Die niet stuurt, maar luistert. En daarin zit ook de ethische kracht.
Want in complexe situaties, in morele dilemma’s, kun je het juiste niet vooraf vastleggen en achteraf beoordelen. Daar heb je een voelend lijf, een scherpe geest en een open hart tegelijk nodig. Daar gebeurt reflectie terwijl je spreekt. Terwijl je luistert. Terwijl je aarzelt.
Als we een reflectieve omgeving willen in onze klaslokalen, zorgteams, gemeenten, moet het niet gaan als theorie óver de praktijk, maar als aanwezigheid ín de praktijk. Embodied. Relationeel. Risicovol. En dus: écht.
Niet op donderdagmiddag. Maar precies daar waar je leeft, leert, en liefhebt.