Wanneer we mensen vragen terug te kijken op momenten waarin ze floreerden, zijn de verhalen die ze vertellen heel verschillend. Maar als je goed luistert, komen daar verrassend genoeg toch vaak dezelfde zaken naar boven. Vrijwel allemaal benoemen ze verbondenheid, autonomie of competentie.

Het lijkt dan verleidelijk om te concluderen dat deze drie zaken een soort kern vormen die voorwaarden scheppen. En dat we door ze te organiseren ook voor anderen kunnen garanderen dat ze optimaal zullen presteren. Maar die redenering veronderstelt dat floreren een set universele ingrediënten is die je kunt afmeten en toevoegen, als een recept dat overal en altijd werkt.

In mijn ogen gaat het daar mis. Wat iemand herinnert als bron van kracht, is nooit los verkrijgbaar. Het is verweven met context, met relaties, met timing en met toeval. Het was niet de kale autonomie die deed floreren, maar de manier waarop er ruimte ontstond in dat ene gesprek, bij die ene leraar, precies op dat moment. Het was niet de competentie op zichzelf, maar hoe een vaardigheid betekenis kreeg doordat ze gezien werd, of gedeeld, of juist onverwacht in de praktijk kwam.

Het probleem is dat dit denken stoelt op een essentialistische aanname: dat verbondenheid, autonomie en competentie vaste entiteiten zijn die los van hun context bestaan. Betekenis geven we echter altijd pas achteraf, en nooit los van het taalspel en het machtsveld waarin ze tot stand komt. Wat wij bijvoorbeeld autonomie noemen, is altijd ingebed in culturele verwachtingen, in instituties, in verhoudingen tussen mensen.

Zodra we autonomie vastleggen als een stap in een protocol, of verbondenheid als een beleidsdoel, of competentie als een lijst met meetbare uitkomsten, verliezen ze precies die openheid waardoor ze ooit konden ontstaan.

We reduceren relationele fenomenen tot meetbare variabelen en missen daarmee hun wezenlijke dynamiek. Alsof we denken dat een bloem zal bloeien wanneer we exact dezelfde hoeveelheid water geven als gisteren, zonder rekening te houden met de stand van de zon, de wissel van de seizoenen, de rijkdom van de bodem, het bezoek van een bij.

Het is goed om modellen daarom losjes te vasthouden. Condities niet proberen te bepalen alsof we ze kunnen garanderen, maar ter plekke ruimtes scheppen waarin verbondenheid, autonomie en competentie kunnen oplichten. Ruimtes waarin relaties betekenis krijgen binnen een levend netwerk. Ruimtes waarin ook nog iets onverwachts kan verschijnen.

Speelruimtes noem ik dat.