Een tijd geleden sprak ik een coach die zich afvroeg of ze wel genoeg had gegeven in haar sessie. “Er kwam zo weinig uit,” zei ze. “Ik moest alles in gang zetten. De vragen, de richting, het tempo… het voelde alsof ik de hele sessie droeg.”

Ik vroeg haar: Wie zei dat jij dat moest doen?

Ze keek me verbaasd aan. “Nou ja, ik ben de coach. Als ik niks doe, gebeurt er toch niks?”

Ik glimlachte. Daar was het alweer: het idee dat de sessie ‘van haar’ was. Dat zij de motor moest zijn, de kracht die het proces in gang zet. Maar een sessie is geen voorstelling waarin de coach de hoofdrol speelt. Het is niet aan jou om te trekken, te duwen, of een richting te forceren.

Het is niet jouw sessie! Als een cliënt stil is, is dat geen teken dat jij harder moet werken. Als een cliënt vastzit, is dat geen uitnodiging om te gaan sleuren. Misschien is die stilte juist het moment waarop iets begint te ontstaan. Misschien is dat vastzitten niet een probleem, maar een overgangsfase.

Hoe vaak denk je dat een rups zichzelf verwijt dat hij even niks doet? Maar wat doen wij als begeleiders? We voelen ons onbewust verantwoordelijk voor beweging. En als die er niet is, vullen we het op. We stellen nog een vraag, bieden een perspectief, maken de ruimte net iets te snel comfortabel.

Terwijl… wat als dat ongemak nodig was? Wat als jouw werk juist is: niet werken? Een sessie is niet een cadeau dat jij aan de cliënt geeft. Een sessie is een ruimte waarin iets mag ontstaan. En dat gebeurt niet omdat jij presteert, maar omdat je aanwezig bent.

Laatst sprak ik dus een coach die dacht dat ze de sessie moest ‘dragen’. En toen realiseerde ze zich: dat is niet mijn taak. En ineens werd het een stuk lichter.