Deze week liep ik door de stad. Niet gehaast, niet doelgericht, gewoon dwalend. De zon viel laag tussen de gebouwen, mensen bewogen om me heen, ieder op weg naar ergens.
Op een hoek passeerde ik iemand. Onze blikken kruisten elkaar, een fractie van een seconde, en toen was er dat knikje. Klein, nauwelijks zichtbaar, maar onmiskenbaar. Niet overdreven vriendelijk, niet ongemakkelijk, gewoon een kort, vanzelfsprekend ik zie jou, jij ziet mij.
Ik liep verder en voelde hoe dat ene knikje nog even bleef hangen. Niet omdat het groots of bijzonder was, maar juist omdat het dat níét was. Het was geen uitnodiging tot gesprek, geen poging om een band te smeden, geen beleefde verplichting. Het was er gewoon.
En ik vroeg me af hoe vaak dit gebeurt, hoe vaak we even erkend worden zonder dat er iets van ons gevraagd wordt. Hoeveel van ons menszijn zich niet afspeelt in uitgesproken woorden, maar in dit soort korte, minimale bevestigingen dat we bestaan in elkaars wereld.
Want er zijn ook dagen waarop het niet gebeurt. Dagen waarop je alleen door de stad beweegt en niemand je blik vangt. Dagen waarop je opgaat in de massa zonder dat er een moment van erkenning is. En dan voelt het alsof er iets ontbreekt, iets onbenoembaars. Alsof we elkaar net niet raken in de gedeelde ruimte.
Deze week liep ik dus door de stad. En iemand knikte. Heel even bestonden we voor elkaar. En dat was genoeg.