Ze zat tegenover me met een sinaasappel in haar hand. Een meisje van veertien, ogen als zoeklichten, vingers rusteloos friemelend aan de schil. “Ik ben niet goed met groepen,” zei ze. En daarna, bijna fluisterend: “Maar ik wil het wel leren. Alleen… ik durf gewoon niet.”
Ze keek me niet aan, maar legde de sinaasappel ineens op tafel en zei: “Deze is nog meer zichtbaar dan dat ik dat ben.”
Ik glimlachte. En zei iets wat ik niet had voorbereid: “Misschien ben jij ook wel een soort sinaasappel. Niet één ding. Maar partjes. En verbonden aan een boom, aan zonlicht, regen, aarde. Verbonden met al het andere om je heen. Als ik je zie als alleen dit ene stukje, je ongemak of je stilte, dan zie ik jou niet.”
En trouwens, zo floepte ik erachteraan: “Als je echt op die sinaasappel lijkt, dan is het probleem ook niet zo groot. Gekleurd T-shirt aan, en we zijn klaar.”
Ze was stil. Maar wel stil met een klein glimlachje.
Later pas besefte ik dat het daarin zat. In het niet-partje zijn. Niet in begrijpen, verklaren of verbeteren van losse eigenschappen. We zijn allemaal relationeel gevormd door stemmen van anderen, momenten van miskenning, zonlicht op een woensdagmiddag, een blik die nét te lang duurde, of juist te snel verdween.
Toch worden mensen vaak teruggebracht tot één kenmerk. ‘Die leerling met faalangst.’ ‘Die collega die altijd te veel hooi op haar vork neemt.’ ‘Die vader die zijn afspraken niet nakomt.’ Alsof we als sinaasappelpartjes los in een bakje liggen, netjes gescheiden en met een vlaggetje erin geprikt waarop onze kenmerken staan.
Maar menselijke eigenschappen zijn nooit los verkrijgbaar. We zijn doorlopend verweven met taal, verwachtingen, herinneringen, systemen en seizoenen. Jij bent niet zonder mij, en ik niet zonder jou.
Wat zou er gebeuren als we elkaar echt zouden zien in die volle complexiteit?
Als we stoppen met ‘de ander proberen te helpen’ en beginnen met de vraag: herken ik dit ook in mijzelf? En zo ja, waarom hoeft dat geen probleem te zijn? Dan gaan we van oplossen naar ontmoeten.
De sinaasappel is nooit zomaar fruit.
En een meisje van veertien is nooit zomaar een probleem in groepen.
Stil zijn in groepen is een groot goed als je uitvaartondernemer bent, of verslag maakt van een vergadering. Als je gespreksleider bent bij een dialoog waar echt geluisterd moet worden. Als je werkt als observator tijdens een audit, of in een verhoorkamer waar elke nuance telt.
Dus, zo vervolgde ik: “Je bent gewoon aan het oefenen voor later.”
Nu lachte ze hardop en gierde het uit:
“Of voor nu. Want als papa en mama me op m’n donder geven dat ik weer te laat thuiskwam, dan kan ik maar beter heel stil zijn en ze laten praten…”
Zo mooi, hoe ze besefte dat ze eigenlijk geen probleem had. Hoogstens dat de mensen om haar heen een mening hadden. Maar die hadden haar vriendinnen ook en tóch kon ze van hen houden. Dat hoefde dus niet te veranderen.