Soms kijk ik naar therapeuten en coaches en zie ik mensen die vreselijk hard werken.
Ze denken mee, stellen slimme vragen, spiegelen, analyseren, geven perspectief. Ze gebruiken technieken, modellen, theorieën. Alles om de ander te helpen bewegen. En als het niet stroomt? Dan werken ze nog harder. Want dat is wat een goede begeleider doet, toch?
Maar wat als al dat harde werken niet helpt?
Wat als het juist in de weg zit?
Ik weet nog dat ik zelf ooit in een sessie zat en dacht: ik moet iets doen, anders gebeurt er niks. De cliënt zat stil, leek na te denken, maar ik wilde dat er iets ontstond. Dus ik deed wat begeleiders vaak doen: ik gooide een vraag in de ruimte.
De cliënt keek op, knikte, antwoordde iets, en we gingen door.
Maar achteraf dacht ik: was dat echt nodig? Had die vraag de cliënt echt verder geholpen? Of had ik de stilte gewoon niet kunnen verdragen?
Want inzichten gebeuren niet omdat wij ze aanbieden. Ze gebeuren omdat iemand ze ervaart. En dat gebeurt niet in onze uitleg, in onze vragen, in ons harde werken. Het gebeurt in de ruimte tussen de woorden.
Hoe minder wij doen, hoe meer er kan ontstaan.
Want laten we eerlijk zijn: hoe vaak vullen we iets in omdat wij de sessie productief willen laten voelen? Hoe vaak grijpen we in omdat wij bang zijn dat het vastloopt? Hoe vaak werken we niet hard voor de cliënt, maar voor ons eigen gevoel van nuttigheid?
Een gesprek is geen machine waarin je de juiste knoppen indrukt om een resultaat te krijgen. Het is een proces waarin iets zich ontvouwt, en dat gebeurt niet door trekken, maar door laten.
Soms is het beste wat je kunt doen helemaal niks.
Sindsdien doe ik dus minder.
En daardoor gebeurt er meer.