In onze Westerse manier van denken zien we veel dingen als los van elkaar. Alsof ze gescheiden werelden zijn. Je hebt mensen en dieren. Een lijf en een geest. Verleden en toekomst. Ik en jij. Werk en privé. Er is een probleem, en er is iemand die het probeert op te lossen. Het lijkt alsof die dingen duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Maar wat als die scheidingen helemaal niet zo vanzelfsprekend zijn? Wat als we die vooral zien omdat we gewend zijn om op die manier te denken? Misschien zit de wereld helemaal niet zo in elkaar, maar hebben we hem op die manier ‘opgedeeld’ in ons hoofd. Misschien mogen we er gerust aan twijfelen.
De natuurkundige en filosoof Karen Barad doet dat. Zij laat met haar idee van agential realism zien dat niets echt op zichzelf staat. Ze stelt dat dingen niet eerst bestaan en pas daarna relaties aangaan – ze ontstaan in relatie tot elkaar. Met andere woorden: de manier waarop we iets waarnemen of onderzoeken, beïnvloedt wat het ‘is’.
Denk aan een steen. Je zou kunnen zeggen: die steen ligt daar gewoon. Maar is hij echt alleen een steen? Hij is gevormd door het water dat hem duizenden jaren heeft afgesleten, door de zwaartekracht die hem naar de grond trekt, door de bodem waarop hij rust. Zonder al die invloeden zou hij niet zijn zoals hij is.
Hetzelfde geldt voor mensen. We denken vaak dat we ‘losse’ individuen zijn, maar eigenlijk zijn we met alles en iedereen om ons heen verbonden. We worden beïnvloed door de cultuur waarin we opgroeien, de taal die we spreken, de natuur waarin we leven, en de technologie die we gebruiken. We zijn geen eilanden, maar knooppunten van allerlei verbindingen. Dit besef heeft niet alleen invloed op hoe we onszelf en de wereld zien, maar ook op hoe we kennis vormgeven en begrijpen.
De impact van hoe we denken
Dat heeft grote gevolgen voor hoe we de wereld begrijpen. We denken vaak dat wetenschap iets ‘ontdekt’, alsof kennis een spiegel is van een buitenwereld die los van ons bestaat. Maar theorie is geen beschrijving van de werkelijkheid – het helpt de werkelijkheid mede vorm te geven. Barad laat zien dat theorievorming geen neutrale activiteit is. Het is een ingreep in de realiteit. Het verandert wat we kunnen zien, wat we kunnen weten, en zelfs wat we als mogelijk beschouwen. Daarmee zijn materie en betekenisproductie onafscheidelijk verbonden met kwesties van verantwoordelijkheid en (on)rechtvaardigheid.
In de filosofie gaat het vaak over de vraag hoe de wereld in elkaar zit en hoe we die kunnen begrijpen. Sommige filosofische stromingen, zoals het nieuw materialisme en objectgeoriënteerde ontologie, zeggen dat de werkelijkheid en onze ideeën erover twee gescheiden dingen zijn. Alsof er aan de ene kant de wereld is en aan de andere kant onze gedachten daarover.
Karen Barad ziet dat anders. Zij zegt: die scheiding klopt niet. Concepten (ideeën) en objecten (dingen) ontstaan niet los van elkaar, maar altijd in relatie. Ze zijn onderdeel van hetzelfde proces. Dit noemt ze intra-actie. Dat betekent dat dingen niet eerst bestaan om daarna op elkaar in te werken, maar dat ze vanaf het begin samen tot stand komen.
Barad baseert zich op de beroemde natuurkundige Niels Bohr, die onderzoek deed naar kwantumfysica. Hij ontdekte dat het gedrag van een deeltje en of het zich als een golf of als een deeltje gedraagt, afhangt van hoe je het meet. Dit betekent dat de manier waarop je iets onderzoekt invloed heeft op wat je ziet. Met andere woorden: onze kennis over de wereld is niet iets wat er ‘los’ van bestaat, maar maakt er zelf deel van uit.
Dat heeft grote gevolgen. Het betekent dat betekenis en materie – oftewel ideeën en de fysieke wereld – niet los van elkaar staan. Ze ontstaan samen, in een proces dat Barad mattering noemt.
Taal en werkelijkheid
Maar dit gaat niet alleen over wetenschap. Het geldt ook voor hoe we taal gebruiken. Want onze taal doet iets. Ze is niet alleen een middel om de werkelijkheid te beschrijven, maar helpt ook mee om die werkelijkheid vorm te geven.
Taal bepaalt bijvoorbeeld hoe we mensen en hun gedrag indelen. Denk aan de labels ADHD en autisme. Het lijkt alsof steeds meer mensen deze labels ‘hebben’, maar misschien is het eerder zo dat de labels zelf mede bepalen wie er binnen en buiten valt. Wie ‘afwijkt’ en wie niet.
Stel je voor dat we honderd jaar geleden hadden besloten dat ‘concentratieproblemen’ geen stoornis zijn, maar gewoon een manier van zijn. Dan zouden mensen met ADHD vandaag misschien niet als ‘afwijkend’ worden gezien. De vraag is dan niet alleen wie ADHD of autisme ‘heeft’, maar ook: hoe is de norm ontstaan die bepaalt wat afwijkt? Misschien is er met deze mensen niets mis, maar met hoe we naar hen kijken.
En dat is een probleem. Want taal schiet vaak tekort.
Als alles intra-actief is, betekent dat ook dat er geen neutrale manier is om de wereld te beschrijven. Er is geen ‘objectieve’ taal die de dingen precies weergeeft zoals ze zijn. Alles wat we in woorden proberen te vatten, heeft gevolgen. De woorden die we kiezen bepalen niet alleen hoe we denken, maar ook hoe we handelen. Daarom dragen we verantwoordelijkheid voor hoe we kennis produceren en gebruiken. Voor hoe we ‘onze waarheid’ als dé waarheid beschouwen.
Het vraagt om verder kijken.
Wat betekent dat in de praktijk?
In onderwijs en jeugdzorg worden beslissingen vaak genomen alsof het een kwestie is van belangen afwegen: Hoe verdelen we de middelen? Wat is de beste aanpak voor een leerling? Hoe houden we beleid haalbaar en effectief? Dit klinkt logisch, maar er zit een fundamenteel probleem in deze manier van denken: het gaat ervan uit dat de opties waaruit je kiest vaststaan. Dat de spelregels al bepaald zijn en dat je alleen nog de ‘beste’ optie binnen die spelregels hoeft te vinden.
Maar wat als het hele vraagstuk al gevormd is door aannames die je niet ziet? Wat als de realiteit waarin je keuzes maakt niet neutraal is, maar het resultaat van eerdere beslissingen, systemen en denkpatronen? Dan is de vraag niet “Wat is de beste optie?”, maar “Hoe is dit keuzelandschap überhaupt ontstaan?”
Neem een school die worstelt met ‘leerlingen met een zorgvraag’. Het beleid draait om extra ondersteuning, doorverwijzingen en samenwerking met jeugdzorg. De centrale vraag lijkt te zijn: hoe kunnen we deze leerlingen de juiste hulp bieden? Maar die vraag gaat ongemerkt uit van een onderliggende structuur: dat onderwijs een systeem is waarin sommige kinderen ‘afwijken’ en dus hulp nodig hebben.
Wat als we die vraag omdraaien? Wat maakt dat kinderen in het huidige onderwijssysteem vastlopen? Wat als ‘ondersteuning’ niet een aparte voorziening was, maar de basisstructuur van onderwijs? Wat als preventie niet een los beleidsterrein was, maar geïntegreerd in hoe wijken en scholen zijn ingericht? Wat als jeugdzorg geen externe voorziening was, maar ingebed in sociale netwerken en gemeenschappen? Wat als we niet probeerden jongeren te laten passen in bestaande structuren, maar de structuren vormgaven op basis van hoe jongeren leven en zich ontwikkelen?
Dit vraagt om een andere manier van denken: intra-actief in plaats van reactief. Intra-actie betekent dat er geen kant-en-klare problemen zijn waarop je reageert, maar dat de manier waarop je een probleem beschrijft, bepaalt welke oplossingen zichtbaar worden.
Voor leiders betekent dit dat besluitvorming niet gaat over het kiezen van de ‘beste’ optie, maar over het bevragen en hervormen van de structuren waarbinnen die keuzes gemaakt worden.
Dat vraagt een ander soort leiderschap. Niet efficiëntie als meetlat, maar relevantie: stellen we de juiste vragen? Niet stabiliteit als doel, maar transformatie: welke verschuivingen kunnen we laten ontstaan? Niet ‘problemen oplossen’, maar zien hoe problemen worden gecreëerd en wat er mogelijk wordt als we de situatie anders benaderen. Niet reactief denken, maar jezelf structureel afvragen: 'waarom ontstaat dit probleem?' En niet de status quo bewaken, maar de ruimte scheppen voor iets nieuws.
Er is geen ultieme waarheid, geen eindpunt. Ons denken moet voortdurend open blijven voor herconfiguratie. Maar er is meer. We denken niet alleen na om ‘dieper te begrijpen’, maar ook omdat we ons verantwoordelijk voelen voor de wereld die we mede vormgeven.
Wat is handelingsvermogen?
Elke theorie, elk concept dat we (blijven) geloven en gebruiken, vormt de werkelijkheid opnieuw. Dat is een verantwoordelijkheid. Het laat zien dat wat we denken en hoe we denken, ertoe doet. Ethiek is dus niet iets wat je achteraf toevoegt, als een soort extra laagje over de ‘harde feiten’. Ethiek zit ingebakken in hoe we de wereld kennen en benoemen.
We gaan er vaak vanuit dat handelingsvermogen (agency, zoals Barad het noemt) iets is wat individuen bezitten. Dat jij als persoon kiest om iets te doen of te laten. Maar Barad zegt: agency is niet iets wat iemand ‘heeft’, het ontstaat in relaties. Een protestbeweging, bijvoorbeeld, is geen optelsom van individuele keuzes, maar een kracht die voortkomt uit collectieve verstrengeling.
Verandering is geen kwestie van één individu dat opstaat en de boel omgooit. Een systeem verschuift wanneer de onderlinge samenhang van elementen zich herschikt en niet omdat één iemand zegt: dit moet anders.
Dat doorbreekt ons lineaire denken. We zijn gewend om in oorzaak-gevolgrelaties te denken: als er een probleem is, moet er ergens een duidelijke oorzaak zijn. Als we die oorzaak aanpakken, lossen we het probleem op. Maar zo werkt een complex systeem niet. Verandering is niet lineair, niet voorspelbaar, niet controleerbaar. Dat betekent niet dat verandering onmogelijk is, het betekent alleen dat we anders moeten leren kijken en spreken.
Waarom één simpele vraag je perspectief verandert
Taal is bepalend voor hoe de werkelijkheid zich ontvouwt. En dat geldt in gesprekken dus ook voor de vragen die we stellen. Want de manier waarop je iets vraagt, bepaalt welk antwoord je krijgt.
Vragen zijn een beetje zoals de filters op je telefooncamera. Als je een zwart-witfilter gebruikt, zie je een heel andere wereld dan wanneer je een felle kleurenfilter kiest. De wereld zelf verandert niet, maar wat jij ziet en hoe je het beleeft, wél. Zo werkt het ook met vragen: de manier waarop je iets vraagt, bepaalt niet alleen welk antwoord je krijgt, maar ook hoe mensen erover nadenken. Dus als je alleen vraagt: ‘Wat wil je?’, krijg je een boodschappenlijstje. Maar als je vraagt: ‘Wat is een moment dat voor jou echt belangrijk was?’, krijg je een verhaal. En in verhalen zit betekenis.
Laten we dat concreet maken. Stel je een school voor die wil weten hoe ze beter kan aansluiten bij haar leerlingen. Ze kan vragen aan een groep ouders, kinderen en professionals: "Wat hebben jullie nodig?" Het antwoord zal voorspelbaar zijn. Je krijgt een lijstje.
✔ Meer tijd per kind
✔ Meer beweegmogelijkheden
✔ Minder formele toetsen
✔ Meer aandacht voor kwaliteiten
Logisch. Maar niet per se vernieuwend of diepgaand natuurlijk. Wil je écht waardevolle input? Dan helpt het om een andere vraag te stellen. geen vraag naar het pragmatische normale denken, het logische, analytische, de feiten of systemen. Nee, je wilt juist de verhalen, de ervaringen en de betekenis. Want we hebben (vaak) de cijfers al, de statistieken en rapporten. Wat we nodig hebben, is het verhaal erachter. Hoe voelt het? Wat doet het met mensen? Wat maakt het waardevol?
Zingeving ontstaat niet uit statistieken, maar uit de verhalen die we eraan verbinden. In hoe we de werkelijkheid vormgeven. De verhalen die je krijgt zijn geen nietszeggende belevenissen, het zijn de bouwstenen waarop je een nieuwe werkelijkheid bouwt. Deze verhalen brengen nieuwe inzichten. Ze geven context, nuance en een diepere laag aan wat er werkelijk speelt.
Stop dus met vragen naar droge feiten en meningen. En begin met het losmaken van verhalen.
Niet: "Wat vind je van dit voorstel?"
Wel: "Wat is deze plek voor jou gaan betekenen?"
Niet: "Bent u tevreden met het beleid?"
Wel: "Kun je een moment beschrijven waarop iets of iemand hier echt een verschil maakte voor je?"
Zie je het verschil? De eerste vragen roepen meningen en standpunten op. De tweede opent een gesprek. Dan ontstaan er andere gesprekken. Verhalen in plaats van lijstjes. Betekenis in plaats van meningen. En dát is waar nieuwe inzichten ontstaan. Waar betrokkenheid groeit. Waar echte verandering begint.
En misschien is dat precies wat we nodig hebben.
Want als alles intra-actief is, als niets vastligt buiten de manier waarop we er betekenis aan geven, dan is de kracht van verandering niet te vinden in betere systemen, efficiëntere structuren of slimmere oplossingen. Het begint bij hoe we kijken, hoe we luisteren én hoe we vragen stellen.