De roep om onderwijsvernieuwing klinkt luider dan ooit. Docenten bereiken het eind van hun latijn. 20-25% van de leerlingen krijgt psychologische hulp en onze resultaten kelderen. Wellicht zou je dan zeggen dat die roep terecht is.
Maar de grote vraag is dan? Hoe te verbeteren? En daar hanteren velen van ons een merkwaardig perspectief. Maar te vaak blijft die vernieuwing steken in het herstellen van wat we zelf hebben gemist. Dan bouwen we systemen die vooral de volwassenen van nu troosten. We ontwerpen curricula die teruggrijpen op individuele ontwikkeling, persoonlijke aandacht of ‘verbinding met de ander’. Of we hangen ons op aan Biesta’s trits van kwalificatie, socialisatie en subjectificatie, alsof die ooit universeel en tijdloos waren.
De onderliggende logica van ons onderwijs, zelfs in zijn vernieuwde vormen, blijft echter vaak gestoeld op het idee van het individu als vertrekpunt. De leerling die leert. De leerkracht die begeleidt. De competenties die ontwikkeld moeten worden. Zelfs ‘persoonlijke groei’ is vaak niets meer dan een nettere vorm van meetbare zelfoptimalisatie. Maar leren is niet lineair. Het is emergent. Het ontstaat in het krachtenveld tussen mens, ruimte, tijd, ritme, taal en context. Daar gebeurt het. In de afstemming. In het ongemakkelijke niet-weten. In het relationele veld waar iets oplicht dat groter is dan de som der delen. In dat kader is het wellicht nuttig om ‘onszelf’ professioneel gezien op het spel te zetten.
De huidige generatie vraagt iets anders van ons. In plaats van ‘nog meer toevoegen’ aan het curriculum om zo de problemen in de wereld op te lossen die gecreëerd zijn in het denken van gister, mogen we kijken naar wat zij al aanvoelen. Wat ze ons laten weten, ook al hebben ze nog niet de woorden om het uit te spreken.
Ze vragen om erkenning voor wie ze zijn, hoe ze ook zijn. Voorbij de indeling in psychologische categorieen mogen we zien dat identiteit pas ontstaat wanneer we het vergelijken met iets of iemand anders. En daar heeft de jeugd last van. Ze vraagt ons te stoppen met de psychologisering in het onderwijs.
Daarnaast hebben ze moeite met voorgekauwde waarheden. Ze bevragen onze geschiedenislessen nu ze via social media leren dat verhalen fluide zijn en iets wat negatief gezien wordt ook voordelen kan hebben als je het juist framed. Ze vragen ons te stoppen met de overdracht van waarheid en te leren hoe te leven zonder vaste grond.
Wat als overdracht niet meer gaat om overdracht, maar om afstemming? Niet om het ik of de ander, maar om dat wat tussen ons in ontstaat? Dat is geen zweverigheid. Dat is systeemdenken. Dat is relationeel bewustzijn.
We zouden ons onderwijs kunnen herdenken vanuit dat besef. Vanuit resonantie, zoals Hartmut Rosa het noemt. Of vanuit wat Karen Barad het intra-actieve noemt: het besef dat mensen niet vooraf bestaan en dan pas handelen, maar dat we als het ware geboren worden in de ontmoeting, elke keer opnieuw. Niet alleen de leerling leert, maar het systeem leert mee. Niet alleen de docent onderwijst, maar het klaslokaal, de ruimte, het curriculum, de sfeer, de wind door het raam zijn medespelers.
Dat vraagt een ander soort pedagogiek. Geen gerichtheid op gedrag, vaardigheden of zelfredzaamheid, maar op ontvankelijkheid. Wat wil hier ontstaan? Wat probeert zich te tonen? Waar duikt betekenis op, niet omdat we ernaar zochten, maar omdat we bereid waren stil te vallen?
Die pedagogiek is niet maakbaar, niet planbaar. Ze vereist traagheid, zintuiglijke aanwezigheid en vertrouwen in dat wat we niet direct kunnen duiden. Ze vraagt om andere woorden: niet ‘doelen behalen’, maar ‘ruimte scheppen’. Niet ‘kennis overdragen’, maar ‘betekenis laten oplichten’.
In dat oplichten schuilt het menselijke. Niet als vaststaande identiteit, maar als levend spoor, als iets wat gebeurt. Dáár ligt de ethiek van onderwijs. Niet als curriculumdoel, maar als gevolg van hoe we samen zijn. Hoe we het tussenveld verzorgen waarin iets nieuws geboren kan worden.
En misschien is dat wel het radicaalste wat we kunnen doen: durven geloven dat onderwijs geen antwoord is op het verleden, maar een vraag aan de toekomst. Een vraag die we samen mogen laten klinken. En daar zijn de docenten die last ervaren van een onderwijssysteem dat draait op data verzamelen en analyseren om de leerresultaten over het algemeen juist reuze goed in. Sterker nog: krijgen ze energie van. Want het is juist daar, in het menselijke, waar hun werk werkelijk begint.