Posthumanisme. Het klinkt als een woord dat vooruitwijst, alsof we een grens zijn overgestoken. Maar om te begrijpen wat het betekent, moeten we terug naar het humanisme zelf.

Het humanisme heeft ons eeuwenlang gedragen. Het plaatste de mens in het midden, als maat van de dingen, als wezen met waardigheid en rede, met autonomie en zelfbeschikking. Dat mensbeeld gaf kracht om los te komen van religieuze dogma’s, om wetenschap en kunst te laten bloeien, om een wereld te vormen waarin de mens centraal stond.

Die erfenis is groot, en tegelijk zien we de laatste decennia. Want dezelfde mens die zichzelf zag als middelpunt, begon de wereld te ordenen in objecten die hij kon meten en beheersen. De natuur, die ooit bedding en thuis was, werd langzaam bezit dat we konden afbakenen en gebruiken. Het lichaam, dat leefde en ademde, werd steeds meer gezien als een machine die gestuurd en gecontroleerd kon worden. En wie niet voldeed aan het verheven ideaal van goed leren, beredeneren en zelfstandig leven verdween naar de rafelranden van de samenleving. Wat begon als een belofte van waardigheid, veranderde zo in een systeem dat tegelijk uitsloot en rangschikte.

Daar ontstaat de vraag naar wat er komt náást dit mensbeeld. Hier duikt het woord posthumanisme op. Niet alsof we het humanisme hebben afgeschud en achter ons hebben gelaten, want het werkt nog altijd door in hoe wij denken en organiseren. Het is eerder een verschuiving, een beweging doorheen het humanisme heen, zoekend naar wat ruimte geeft aan alles wat niet in dat oude verhaal paste.

Het kleine woordje post betekent hier dus niet tegen, maar anders. Zoals een postscriptum niet losstaat van de brief maar haar verlengt. Zoals posttraumatisch nog steeds verbonden is met wat er gebeurde. Zo verwijst posthumanisme niet naar een wereld zonder mensen, maar naar een wereld waarin de mens niet langer het enige middelpunt is.

Karen Barad verwoordt het indringend: we are part of the world in its ongoing intra-activity. Wij zijn geen toeschouwers buiten de wereld, maar knooppunten in haar beweging.

En dat opent de deur naar een andere menselijkheid. Geen menselijkheid die draait om macht of eigenaarschap, maar om afhankelijkheid en raakbaarheid, om zorg en fluïditeit, en om het besef dat niet-weten geen tekort is maar onze natuurlijke staat.

Misschien moeten we het posthumanisme daarom niet vooral zien als wetenschappelijke theorie, maar als uitnodiging. Een uitnodiging om opnieuw te leren luisteren, naar wat zich aandient buiten onze taal, naar wat voelbaar is binnen de grens van je huid, naar wat resoneert in de ruimte tussen jou en datgene wat je nooit helemaal kunt kennen maar wel kunt ervaren.

En misschien ontdekken we dan dat posthumanisme gaat over een manier van samenleven dat relationeler is dan we gewend zijn. Dan ‘normaal’ geacht werd in de samenleving in ieder geval. Want veel mensen voelden dit allang in al hun vezels…