Toen ik acht jaar oud was kreeg ik van mijn meester een sticker, niet omdat ik iets moois had bedacht of een bijzondere vraag stelde, maar omdat ik stil was. In dat moment leerde ik onbewust een les die mij nog jaren zou achtervolgen, namelijk dat leren blijkbaar betekent voldoen aan de norm, het juiste antwoord geven, netjes in het rijtje lopen.
Daar werd ik best goed in. Maar toch voelde ik diep vanbinnen dat er meer moest zijn. Dat leren niet alleen iets in mijn hoofd was maar in mijn hele lijf en dat ik ook van de dingen en de relaties kon leren. Pas veel later ontdekte ik dat daar een woord voor bestond, posthumanisme. Dat voelde als thuiskomen.
Het grote probleem
Ons onderwijs is gebouwd op een oud mensbeeld waarin de mens centraal staat als rationeel wezen en autonoom individu. We meten prestaties, we labelen kinderen, we knippen leren op in vakjes. Maar de werkelijkheid laat zich niet zo makkelijk temmen.
Een kind leert soms beter door te bewegen dan door stil te zitten, een klas leert soms meer van een spel dan van een toets, een leraar merkt dat de sfeer in het lokaal meer invloed heeft dan de woorden die hij zorgvuldig heeft voorbereid.
En ondertussen zijn er steeds meer leerlingen die vastlopen, leraren die uitgeput raken en een samenleving die creativiteit en samenwerking nodig heeft terwijl wij blijven drillen op efficiëntie en individuele prestaties.
Het verrassende inzicht
Posthumanistisch onderwijs ziet de mens als onderdeel van een netwerk. De filosoof Karen Barad spreekt over intra-actie, zij laat zien dat dingen en mensen niet los bestaan maar telkens opnieuw ontstaan in hun onderlinge verwevenheid. Donna Haraway heeft het over becoming-with, wij worden wie we zijn in relatie tot wat ons omringt. Als we dit vertalen naar het klaslokaal zien we dat onderwijs niet draait om kennis die van leraar naar leerling stroomt, maar om het scheppen van omstandigheden waarin iets nieuws kan verschijnen. Het klaslokaal wordt een ecosysteem, een vraag wordt een uitnodiging, een fout een deur naar een ander perspectief.
We denken vaak over onderwijs, als een bol wol die je kunt uitrollen tot een rechte lijn. Je begint hier, je eindigt daar. Eerst taal, dan rekenen, dan diploma, dan baan. In posthumanistisch onderwijs gaat het er om te leren spelen met de kluwen, nieuwsgierig te worden naar de onverwachte verbindingen. En wie ooit een kind met Lego heeft gezien of jongeren in een geïmproviseerde theaterscène weet dat juist daar, in die onvoorspelbaarheid, vitaliteit ontstaat.
De urgentie en de mogelijkheid
Misschien denk je, mooi verhaal, maar wat levert het op? Snap ik. We hebben al te veel geprobeerd en eigenlijk geen tijd meer voor nog meer innovatie. De wereld staat op een kantelpunt. De klimaatcrisis, digitalisering, sociale ongelijkheid, dit zijn uitdagingen die wij niet kunnen oplossen met de oude manier van denken. We hebben onderwijs nodig dat kinderen niet voorbereidt op een voorspelbare toekomst maar hen leert bewegen in een onvoorspelbare wereld.
Dat vraagt om andere vaardigheden, om relationeel leren afstemmen, om onzekerheid leren dragen, om leren improviseren met het onverwachte. Dit is geen utopie overigens. Het gebeurt al, op kleine plekken, in experimenten, bij voorlopers. (ook al noemen ze het vaak geen posthumanisme, het is gewoon ook een lastige term). Misschien ben jij zelfs wel zo’n leraar?
Dus stel je nu eens voor dat dit niet langer uitzondering is, maar de kern van onderwijs. Dat we inzien dat leren altijd al draaide om het samen mens-worden in een wereld die groter is dan wijzelf…. hoe zou dat zijn?l