Ik weet nog dat ik als kind het onderwijs altijd een beetje bevreemdend vond. De leerling als iemand met eigenschappen, tekorten en motivatieproblemen. De docent als degene die iets overdraagt en bijstuurt als het verkeerd gaat. En het lokaal als de plek 'waar' dit alles gebeurde.
Maar voor mij gebeurde leren ook buiten school. Op het plein. In het veld met bloemen en aan de slootkant. En die leerling die tekorten had als dyslexie of moeite met hoogspringen had dat alleen omdat die ene vorm van leren blijkbaar op dat moment centraal stond. Daarbuiten was dit gewoon Davy of Sasha, iemand die alles had om een prima leven te leven. Zelfs de zaken waar de docent moeite mee had zag ik relationeel ontstaan. De drukke leerling die druk werd omdat het stilzitten te lang duurde. Of de leerling die stil werd, omdat deze setting daar geen ruimte voor maakte.
Toen ik opgeleid werd als docent leerde ik dat ik de docent was en de leerling degene die alles mocht leren. Maar in mijn eerste jaar voor de klas was ik als de dood dat ik toch de theorie niet voldoende kende. Soms lag ik slechts één lesje op hen voor. Maakte me zorgen over leerlingen die meer zouden begrijpen van het onderwerp dan ik deed, of aanvullende vragen zouden stellen. En in tegenstelling tot mijn klasgenoten, die voelden dat dit in de jaren erna 'wel goed kwam' begon ik me af te vragen of ik ook dit stukje van onderwijs misschien anders mocht bekijken.
Bijna 20 jaar later stootte ik op de term posthumanisme, wat aangeeft dat het een nieuwe manier (post) geeft van het kijken naar de mens en diens plek in de wereld (humanisme). In plaats van het idee dat de mens, of specifieker de individuele leerling of professional, het centrum is waar alles om draait, laat het zien dat alles ontstaat in de interactie tussen mensen, materialen, taal, ruimte, tijd, verwachtingen en systemen.
Ineens las ik hier een theorie die zei dat een opmerking van een leerling, de opstelling van tafels, een PowerPoint, een stilte, een grap, een regel die impliciet wordt gehandhaafd, allemaal samen werkt, dwars door elkaar heen. Het voelde als thuiskomen. Als begrepen worden. Ineens was het logisch dat ik het reguliere onderwijs had verlaten, omdat ik voelde dat ik in het speciaal onderwijs minder hoefde te sturen op uitkomsten en meer kon werken met wat zich aandient. Logisch, want als leren niet in het hoofd van een individu zit, maar ontstaat in relaties, dan verandert ook je handelen.
Destijds had ik geen woorden voor de manier waarop ik pedagogiek beoefende. Het was wat al improviserend ontstond in het moment. Maar tegenwoordig kan ik heel duidelijk zes bouwstenen onderscheiden die samen mijn versie van posthumanistische pedagogiek dragen.
De zes bouwstenen
De eerste is relationaliteit en voortdurend worden.
Niets staat vast. Een leerling is niet “zo”. Een groep is niet “lastig”. Wat je ziet is altijd tijdelijk en afhankelijk van wat er gebeurt in dat moment. Dat betekent dat je als professional niet werkt met vaste labels, maar met situaties die zich ontwikkelen. Je kijkt niet naar wie iemand is, maar naar wat er ontstaat in interactie. En dat maakt ook dat verandering altijd mogelijk is, omdat niets vastligt.
De tweede bouwsteen is heterogeniteit. Alles doet mee. De ruimte, de planning, de technologie, de sfeer, de geschiedenis van een groep. In plaats van dat te reduceren tot ruis, neem je het serieus als onderdeel van wat er gebeurt. Dat maakt je werk complexer, maar ook rijker. Je hoeft niet alles te controleren, maar je leert wel zien waar beweging zit.
De derde is multipliciteit, het loslaten van tegenstellingen. In onderwijs denken we nog vaak in of-of. Theorie of praktijk. Cognitief of sociaal. Veiligheid of vrijheid. Maar in de praktijk lopen die dingen door elkaar. Een leerling kan tegelijk meedoen en afhaken. Een gesprek kan tegelijk veilig en spannend zijn. Door niet te snel te kiezen voor één lezing en het plat te slaan, blijft er ruimte om te werken met wat er echt gebeurt. Bovendien leer je daarmee ambivalentie en paradoxen verdragen.
De vierde bouwsteen is relationele agency. Handelingsvermogen zit niet in het individu. Het ontstaat in de situatie. Een leerling kan in de ene context volledig vastlopen en in een andere context ineens bewegen, omdat de relaties anders liggen. Dat vraagt van professionals dat ze niet alleen kijken naar 'wat doet of kan deze leerling', maar vooral naar 'wat maakt deze situatie in gedrag of identiteit mogelijk of onmogelijk'.
De vijfde is assemblage. Dat klinkt theoretisch, maar het is eigenlijk heel praktisch. Elke situatie is een samenstelling van elementen die op dat moment samenkomen en iets laten gebeuren. Een klas is geen vaste entiteit, maar een tijdelijke configuratie van mensen, spullen, regels en verwachtingen. En die configuratie kun je beïnvloeden. Niet door één knop om te zetten, maar door kleine verschuivingen. Iets verplaatsen, iets benoemen, iets openlaten, iets vertragen.
De zesde bouwsteen is non-lineariteit en het loslaten van hiërarchie. Leren verloopt niet in rechte lijnen. Ontwikkeling gaat niet stap voor stap volgens een plan. Dat betekent niet dat alles zomaar kan, maar wel dat je anders gaat sturen. Minder vanuit controle en meer vanuit afstemming. Minder vanuit vooraf bepaalde uitkomsten en meer vanuit wat zich aandient en betekenis krijgt.
Wat dit betekent voor pedagogiek
Als ook jij dit serieus neemt, verandert je werk behoorlijk. Je bent minder bezig met het repareren van individuen en meer met het lezen van situaties. Minder met het uitvoeren van een plan en meer met het reageren op wat er ontstaat. Dat vraagt niet minder maar juist meer vakmanschap. Want je moet kunnen zien wat er speelt, zonder het meteen dicht te duwen in een categorie. Je moet kunnen verdragen dat je het niet altijd weet. Je moet kunnen ingrijpen zonder alles over te nemen. En je moet kunnen blijven, juist als het ongemakkelijk wordt.
Posthumanistische pedagogiek is dus geen zachte variant van onderwijs. Het is eerder een preciezere. Je kijkt scherper, handelt bewuster en neemt meer verantwoordelijkheid voor het geheel, in plaats van die neer te leggen bij het individu. En misschien is dat wel de kern. Dat je stopt met vragen wie er verantwoordelijk is, en begint met kijken hoe verantwoordelijkheid ontstaat in wat we samen doen.
Draag het verder
Werk je als teamleider of schooldirecteur en wil je dat je team meer op deze manier werkt, of herken je dat dit al gebeurt maar lukt het nog niet om daar woorden en beleid bij te maken, dan ga ik dat gesprek graag met je aan.
