Gister was ik op een symposium. Je kent het vast: inspirerende sprekers, een veel te vol programma, en gelukkig dat heerlijke onderwijspubliek. Van die mensen die het goede willen doen. Niet alleen in de ogen van de inspectie, maar ook (of juist) in de ogen van de leerling. Nieuwe ontmoetingen. Warme gesprekken. Zo’n dag waarop je hoofd én hart vol raken.
En toch bleef er één zin haken.
Een spreker vertelde over respect. Hoe het schuurt als een leerling tijdens een gesprek naar je schoenen kijkt, terwijl jij het respect juist zoekt in oogcontact. Hoe belangrijk het is om dat ongemak te leren herkennen. Te begrijpen waar het vandaan komt. Dat in sommige culturen juist het níét aankijken van de ander een vorm van respect is. Dan verschuift het gesprek. Dan komt er ruimte.
Tot zover: helemaal mee.
Maar toen kwam er iets achteraan. Iets als: “en dan kun je alsnog de leerling vragen om je aan te kijken.” En ik begrijp dat dat dan zachter gebeurt. Begripvoller. Met uitleg erbij. Niet meer: je moet me aankijken als ik met je praat, maar iets vriendelijkers, iets relationelers.
Maar dat is denk ik niet waarom de spreker dit zei. Want waarom zou de norm van de docent leidend zijn als het gaat om respect? Waarom is het ongemak van de leerling minder waard dan dat van de leraar? Waarom zou niet juist de leraar, die nota bene betaald wordt om met het ongemak van mensenwerk en leren om te kunnen gaan, degene zijn die dit draagt?
Is het niet… ja, hoe zeg je dat goed… patroniserend? (Of bedoel ik paternalistisch? Misschien alle twee tegelijk.) Dat je als volwassene, als professional, als machthebber, de leerling alsnog vraagt zich aan te passen aan jóuw norm, want zo doen we dat hier. Terwijl de hele kracht juist zat in het erkennen dat die blik op de schoenen óók respectvol is. Misschien zelfs wel méér.
En mogelijk bedoelde de spreker het precies zo. Misschien was het een nuance in z’n verhaal die ik miste.
Natúúrlijk mag je dat gesprek voeren. Over wat het met je doet als iemand je niet aankijkt. Kwetsbaar, vanuit jezelf. Zodat die leerling leert hoe het ook anders kan voelen, in andere contexten, met andere mensen. En zich aan kan passen als dat echt nodig is, als de situatie, de relatie, de ander daar om vraagt.
Maar laten we als professional niet zélf die ander zijn. Dan leer je namelijk niet iets, maar dwing je het af.
Als je bij het ongemak kunt blijven kun je voelen dat de regels wiebelen.
Kan er een ruimte ontstaan waarin geen ‘ik tegenover jij’ staat, maar een ‘wij’ dat ‘het nog even niet weet’.
Dat is spannend, maar ook hoopvol. Want precies daar, in dat wiebelen, kan er iets nieuws ontstaan.
Niet meer een ik en een jij die tegenover elkaar staan, gescheiden door normen en oordelen. Maar een ‘wij’ dat durft te leven in het niet-weten. In de ruimte tussen blik en blik. In het besef dat respect geen vaste vorm heeft.
En dat afstand soms slechts een gevoel is. Terwijl het zo dichtbij zou kunnen zijn.