Tussenen. Niet tussen in, als plek tussen twee dingen. Niet wachten op wat komt, noch hangen in wat was. Maar tussenen als werkwoord. Als bezigheid. Als toestand misschien. Een beweging. Of beter nog: een levenswijze. Het is én, én, én!
Ik hoorde het woord via Odette Wolff. Het komt als jaarwoord geregeld in haar schrijven voorbij. Het raakte iets in mij. Tussenen voelt als wat ik al maanden, misschien jaren, aan het doen ben. NGeen pauze, geen versnelling. Geen richting, maar ook geen doelloosheid.
Tussenen is wat er bij mij gebeurt wanneer het oude niet meer werkt en het nieuwe zich nog niet heeft aangediend en ik besluit om daar niet uit te willen, maar erin te blijven.
Is de hele wereld aan het tussenen? Soms voelt het zo. Alsof systemen piepen en kraken. Alsof mensen massaal voelen dat de antwoorden van gisteren ons vandaag niet verder helpen. Laat staan morgen mogelijk maken. Alsof het collectief geen grond meer onder de voeten heeft, maar ook nog geen vleugels. Alsof we met zijn allen op het randje balanceren, niet wetend of het de afgrond is of de opening van iets radicaal anders. En in plaats van te springen of terug te deinzen, blijven we hangen. Zwevend. Levend. Tussenen.
In het tussenen ontdek je iets geks. Dat er daar, juist daar, zoveel meer leven zit dan je dacht. Het is niet de leegte tussen twee gebeurtenissen. Het is niet zomaar een wachtverzachter. Het is een ruimte vol zenuwbanen, tintelingen, toevallige ontmoetingen, half afgemaakte zinnen, onverwachte inzichten. Daar waar de tijd rafelig wordt en het zelf wat losser zit. Waar je je vragen niet hoeft af te maken en antwoorden ineens niet meer hoeven. Waar je lichaam het soms eerder weet dan jij. Waar de logica even loslaat en je gewoon… bent. In de tussenheid.
Misschien is tussenen wel de meest eerlijke manier van bestaan. Niet doen alsof we weten waar we naartoe gaan. Niet terugverlangen naar vroeger. Niet steeds verklaren, oplossen, afronden. Maar open blijven. Al doende. Al tastende. Al tastend geraakt worden.
Misschien zijn wij mensen wel altijd aan het tussenen, maar zijn we het verleerd om het als zodanig te erkennen. We willen fixatie. Eindpunten. Etiketten. Maar het leven is eerder een voortdurende rafelrand. Een rijgdraad van toevallige momenten. Een voortdurende uitnodiging tot tussenruimte.
Wat als we tussenen niet langer beschouwen als ongemak, maar als kunst? Als kunde zelfs? Als een manier van samen zijn, van blijven luisteren, van durven wachten tot het zich toont?
Dan is tussenen geen tussenfase meer.
Dan is het leven zelf.