Probeer het volgende eens uit. Zet een glas water op de rand van de tafel. Aan de kant van je buik. Als het omvalt ga je nat worden. Het staat er wiebelend, vrij ver over de rand. Elk moment kan het vallen, of althans zo voelt het. Merk je het op? De spanning die dit geeft in je lijf? Hoe je bijna als vanzelf het glas weer terug schuift, weg van de rand, naar een plek waar het veilig lijkt te staan.

In dat kleine gebaar herken je iets groters. Onze neiging om onzekerheid op te lossen, om dingen te verklaren en onder controle te brengen. Soms doen we dat praktisch, door het glas vast te pakken. Soms doen we dat in ons hoofd, door te vragen waarom het daar stond, wie het had neergezet, wat er zou kunnen gebeuren.

Die reflex om te zoeken naar een reden is niet alleen psychologisch, het heeft ook een diepe filosofische wortel. In oude tijden dachten mensen nog niet in termen van oorzaken en bewijzen. Dingen gebeurden, en dat was hoe het was. Een donderslag werd gehoord als de stem van een god, regen als een teken dat de aarde ons welgezind was. Het leven werd ervaren als een mysterie dat niet altijd om een verklaring vroeg.

Als je een donder hoort en denkt “de goden zijn boos”, dan zoek je geen logische reden, maar een gevoel of verhaal. Gaandeweg is er iets veranderd. Mensen ontdekten de kracht van het vragen naar een reden en begonnen steeds vaker te denken dat er achter alles een oorzaak moest liggen. Dat bracht ons veel, we konden bijvoorbeeld zeggen dat “De lucht knalde omdat warme en koude lucht botsen.”

Maar dat oorzaak denken groeide uit tot een overtuiging, en later zelfs tot een soort wetmatigheid. Het idee van “alles moet een reden hebben” zijn we zó belangrijk gaan vinden, dat het een soort basiswet werd. Een regel die altijd moet gelden. We maken alles wiskundig en wetenschappelijk correct. Zelfs onze gevoelens willen we verklaren met hersenactiviteit of de werking van hormonen.

In onze tijd is dit oorzaak-denken dus niet zomaar een idee, maar een soort macht geworden. We willen dat alles te verklaren moet zijn en dit bepaalt hoe we denken, plannen en zelfs hoe we lesgeven of beleid maken. Stel dat je verdrietig bent, en iemand zegt: “Waarom ben je verdrietig? Wat is de oorzaak?” Terwijl jij gewoon voelt wat je voelt. Misschien geen behoefte aan een vraag maar aan een arm om je schouder had. De drang naar verklaring overschaduwt de ervaring zelf.

Langzaam is dat idee in onze Westerse maatschappij uitgegroeid tot een macht die onze manier van kijken stuurt. Het beheerst hoe we plannen maken, hoe we lesgeven, hoe we beleid schrijven. Alles moet onderbouwd zijn, alles moet logisch kloppen. We stellen niet alleen vragen (“waarom is dit zo?”), we willen ook meteen antwoorden (“omdat…!”). We zoeken dus niet alleen naar betekenis, maar ook naar controle. Een leraar kan bijvoorbeeld vragen: “Waarom ben je te laat?” Jij zegt: “Omdat mijn bus vertraging had.” Het lijkt logisch, maar soms is het ingewikkelder. Misschien was het ook omdat je slecht hebt geslapen, of iets aan je hoofd had. Toch lijkt iets zeggen beter dan niets. Maar daardoor lullen we met z'n allen maar wat aan. En ondertussen geldt nog steeds dat wat we maar vaak genoeg horen we gaan geloven. Zo leidt de waarom vraag naar zijn eigen waarheid in de toekomst.

Je kunt de stilte uitleggen, maar niet meer horen hoe ze klinkt.

Tegenwoordig begint die verklaringsdrang een andere toon te krijgen. We voelen dat niet alles zich laat vangen in ‘omdat’. De wereld is complexer dan een eenduidig antwoord. Dus misschien is het tijd dat we moeten leren luisteren naar wat niet meteen verklaard kan worden.

Misschien hoeven we daarom niet steeds alles van een omdat te voorzien, maar mogen we durven blijven bij wat er is, zonder direct antwoord. Als een vriend zich raar gedraagt, kun je vragen “waarom doe je zo?”, maar je kunt ook zeggen: “Ik zie dat er iets is, en ik hoef het niet meteen te begrijpen.” Dat is een ander soort aandacht.

Zoals bij dat glas dat op de rand van de tafel staat, een voorbeeld dat ik leerde van Eva de Hullu. Je hoeft het niet meteen terug te schuiven. Je kunt er ook even naast zitten en voelen wat de situatie oproept. Dat we leren aanwezig zijn en oefenen in erbij blijven, juist wanneer het wiebelt.