Wat is posthumanisme?
Posthumanisme is een uitnodiging om opnieuw te kijken naar wie of wat er eigenlijk meespeelt in ons handelen. In een wereld waarin ecologische crises, technologische verwevenheid en sociale complexiteit elkaar doorkruisen, kunnen we namelijk niet langer doen alsof de mens op een eiland leeft, los van context en materie. Daarom is posthumanisme in de afgelopen drie decennia uitgegroeid tot een complex veld dat wortelt in feministische filosofie, poststructuralisme (wat vaste betekenissen en binaire tegenstellingen bekritiseert) en wetenschapsonderzoek.
Voor mij betekent posthumanisme dat we het idee van een vaststaand subject loslaten. Niet de mens als middelpunt van kennis en macht, maar het web van relaties waarin mensen, materialen, verhalen en systemen elkaar voortdurend mede-vormen. Er bestaat geen wereld waarin entiteiten eerst afzonderlijk zijn en daarna pas relaties aangaan, maar alles ontstaat steeds in en door relaties zelf. Intra-actie heet dat.
Dit perspectief is voor mij niet abstract of academisch, maar een houding die het dagelijks handelen kleurt. In onderwijs, zorg en organisaties zie ik hoe we steeds opnieuw botsen tegen de grenzen van protocollen en meetcultuur.
Posthumanisme biedt taal om die grenzen niet te verleggen, maar te doorzien: wat gebeurt er wanneer we niet alleen kijken naar de mens tegenover ons, maar ook naar het systeem eromheen, naar de taal die we gebruiken, de ruimte die we inrichten, de verhalen die we herhalen? Zo ontstaat een manier van werken waarin complexiteit niet wordt platgeslagen, maar vruchtbaar wordt gemaakt.
Het is precies in deze houding dat mijn werk als trainer en denker geworteld is. Playfulness, embodied learning, Warm Data en narratieve praktijken krijgen betekenis omdat ze relationeel zijn. Ze oefenen in het tijdelijk opschorten van controle, in het toelaten van onzekerheid en het serieus nemen van stemmen die vaak onzichtbaar blijven. Voor mij is de kern van posthumanisme dan ook niet iets wat je denkt maar iets wat je doet. Het is een manier van aanwezig zijn, relationeel en open, die steeds opnieuw verkent wat er kan ontstaan.
Laten we een tijdreis maken.
Bij de oude Grieken, had de mens een speciale plek, maar zeker niet de centrale. Wel waren er Academies, speciaal voor mensen die rijk genoeg waren om tijd vrij te maken om te denken.
Als we dan vooruitspoelen naar de zeventiende eeuw verandert er iets fundamenteels, want dan komt de mens als denkend wezen centraal te staan. Niet langer zoeken we orde buiten ons, in God of de kosmos, maar we vertrouwen op de rede in onszelf. De geest die de wereld ordent, analyseert en zich voorstelt hoe dingen in elkaar zitten.
Daarna neemt het idee van de mens als middelpunt alleen maar toe. In de Verlichting klinkt steeds sterker dat de mens vrij, waardig en rationeel is. Dat gaf vrijheid en bracht ons wetenschap, techniek en mensenrechten.



Maar er zat ook een keerzijde in dit humanistische mensbeeld. Het ging vaak stiekem om één soort mens, wit en mannelijk, Europees en gezond, rationeel en zelfstandig. Vrouwen, kinderen, mensen uit niet-westerse culturen, mensen met beperkingen en ook dieren en natuur vielen erbuiten. De oude belofte van redelijkheid en vrijheid bleek zo ook een instrument van uitsluiting en controle te zijn. Toen dit kritisch onderzocht werd, zagen we hoe instituties, regels en taal onze identiteit vormen. We worden voortdurend gemaakt door systemen die bepalen wat normaal is en wat niet.
Andere denkers gingen nog een stap verder. Zij gaven aan dat identiteit geen vaste kern is, maar een voortdurend proces van worden. Je bent niet iemand die losstaat van de wereld, maar een knooppunt dat steeds in beweging is met andere mensen, dieren, objecten en ideeën. Ook vanuit feministische en postkoloniale hoek kwam stevige kritiek. Donna Haraway schrijft dat kennis nooit neutraal of universeel is, maar altijd gebonden aan een plek en een perspectief. Geschiedenis, zoals we dit op de basisschool leren, is een bepaalde kijk op wat er gebeurd is. En op dezelfde wijze zijn de dingen die we als ‘goed’ en ‘kloppend’ ervaren in pedagogische praktijken of managementaanpakken dat ook.
Tezamen bereiden al deze kritieken de weg voor het posthumanisme, dat niet alleen kritiek levert op humanisme, maar daadwerkelijk probeert te denken voorbij de mens als centrum en maat van de dingen. Drie denkers zijn daarin voor mij het meest richtinggevend. Rosi Braidotti zegt dat de mens een nomadisch subject is. Als we verhalen over onszelf vertellen, herken je dat wie jij bent een dynamisch proces is dat voortdurend verandert.
Karen Barad spreekt over intra-actie. Daarmee bedoelt ze dat dingen en wezens niet eerst bestaan om daarna pas met elkaar in relatie te treden, maar dat ze altijd in en door relaties zelf ontstaan. Als jij me aanspreekt met een compliment, dan ben ik blijkbaar degene die goed bezig is. En als je me bekritiseert, dan neem ik tijdelijk de identiteit aan van degene die iets niet goed heeft gedaan. Doordat elke opmerking, maar ook letterlijk alles dat in het hier en nu aanwezig is, mee kan spelen bij hoe we onszelf ervaren, staat wie we zijn nooit vast. Dit vraagt dat we kunnen meebewegen met de verwevenheid van die wereld. Blijven bij wat soms moeilijk voelt, Staying with the Trouble noemt Donna Haraway dat.
Posthumanisme vraagt ons om de mens te zien als medespeler in een veel groter spel.
Posthumanisme en playfulness
Spel lijkt in eerste instantie iets dat bij kinderen hoort, of een vorm van ontspanning naast het serieuze werk. Maar filosofisch gezien blijkt spel steeds opnieuw een fundament te zijn waarop cultuur, kennis en samenleven rusten (zoals Johan Huizinga lang geleden al toonde).
In een posthumanistisch kader krijgt playfulness een bijzondere betekenis: niet als tijdverdrijf, maar als manier van in de wereld zijn. Wanneer we zeggen 'dit is spel' dan is dat een meta-communicatie die betekenisvol is. Het creëert een ruimte waarin we nieuwe verbanden kunnen ervaren, zonder dat alles vastligt. En dit is eigenlijk precies zoals het leven werkt maar wat we vergeten wanneer we onszelf en de maatschappij waarin we leven te serieus nemen. Dit kunnen we koppelen aan een bredere ecologische visie, zoals Gregory Bateson ooit deed: leren en leven zijn áltijd relationeel. Spel laat zien hoe betekenissen kunnen verschuiven.
Spel geeft een andere manier om te reflecteren, niet als autonoom persoon die iets inbracht en nu terugkijkt naar wat de uitwerking daarvan was, maar diffractief: de verschillen die je ontdekte waardoor nieuwe vormen op konden komen. Dit vraagt enerzijds verfijnde sensitiviteit en anderzijds de mogelijkheid om te ontdekken en experimenteren Ook verhalen zijn een onderdeel van spel omdat ze ons de mogelijkheid geven om anders te denken. Spel wordt zo een manier om complexiteit niet te reduceren, maar voelbaar te maken.
Voor mij betekent dit dat playfulness geen toevoeging is aan posthumanisme, maar een vorm waarin het geleefd kan worden. In spel oefenen we met relationele improvisatie, met onzekerheid, met het meebewegen in netwerken van mensen en niet-mensen. Playfulness maakt zichtbaar dat de werkelijkheid geen vaststaand script volgt, maar een proces van voortdurende co-creatie is.
Posthumanisme en onderwijs
Onderwijs is eeuwenlang gedacht vanuit het humanistische beeld van de leerling als autonoom subject dat gevormd moet worden tot een zelfstandig en rationeel mens. Kennis gold als iets dat je kon overdragen, een representatie van een wereld die buiten ons bestaat. De leraar was degene die wist, de leerling degene die moest ontvangen en internaliseren.
Het posthumanisme doorbreekt dit beeld. Het stelt dat leren nooit een lineair proces van overdracht is, maar altijd plaatsvindt binnen een web van relaties waarin alles samen betekenis voortbrengen. Een klaslokaal is geen neutrale ruimte waarin enkel leraar en leerling elkaar ontmoeten, het is een netwerk waarin ook tafels, technologieën, regels, emoties en omgevingen meespelen. Leren is dus relationeel en ecologisch want het gebeurt in de knopen van verbinding.
We mogen onderwijs rewilden, niet langer sturen op kennisoverdracht en het 'opvoeden tot autonoom persoon' maar het oefenen in vertragen, luisteren en oriënteren in een wereld die nooit lineair of voorspelbaar is. Een wereld waarin je niet autonoom kunt zijn en altijd invloed uitoefent.
Onderwijs kan in dit licht begrepen worden als een praktijk van zorg: een manier van omgaan met relaties, waarin zichtbaar wordt hoe kennis, aandacht en verantwoordelijkheid gedeeld worden tussen mensen, materialen en omgevingen.
Zo ontstaat een ander onderwijsbeeld. Geen model van overdracht of beheersing, maar een pedagogiek waarin afstemming, relationele verwevenheid en ecologische betrokkenheid centraal staan. Onderwijs wordt dan een plek waar we oefenen met onzekerheid, waar we leren aanwezig te zijn bij wat zich aandient, en waar we kennis ervaren als iets dat niet in individuen huist, maar in de beweging tussen ons.