Ik volg tijdens mijn filosofie studie ook wat gerelateerde vakken die raken aan interdependency. Een ervan gaat over de filosofie van microbiologie. Daar waar we vroeger dachten dat die kleine dingen los van ons stonden begrijpen we nu dat ons leven en gezondheid met hen verworteld zijn. We zouden als mens niet zonder hen kunnen bestaan.
Anyway. Voor het grote deel is dit college zitten en luisteren. Tot we vorige week, voor het eerst een opdracht kregen. Een casus. Een half uur de tijd om ethisch te reageren op een voorstel. “Doe even alsof je in een raad van bestuur zit. Maak een keuze. Tot zover kon mijn lijf het hanteren. Maar toen kwam het, we moesten het antwoord binnen een half uur formuleren. Er waren diverse casussen: bv Een nieuw middel testen in een land waar mensen nauwelijks toegang hebben tot zorg. Of microben loslaten om oppervlaktewater te zuiveren terwijl niemand precies weet wat die microben over tien, twintig, vijftig jaar zullen doen. Bij elk ervan kromp mijn buik een beetje samen. De voorbeelden wisselden, maar de spanning blijft dezelfde: We weten het niet. En toch moeten we kiezen.
Want ik kan nog zulke mooie participatiegesprekken voeren, maar ik weet niet hoe macht mensen eerder al heeft gevormd. Ik kan culturele verschillen respecteren, maar ik weet niet wat er gebeurt wanneer een man toestemming geeft voor zijn vrouw. Ik kan de veiligheidsrisico’s berekenen, maar ik weet dat berekeningen altijd een politieke daad zijn, een grens trekken rond wat we willen zien en wat we willen negeren.
In mijn groepje kwamen we niet tot een strategisch antwoord. Geen strak management advies. We kwamen tot de intuïtie: klein beginnen, blijven volgen, verantwoordelijkheid dragen die verder reikt dan onze formele rol. Zelfs wanneer het bedrijf niet meer bestaat. En dan niet ‘afkopen’, maar het juiste doen in de ogen van de dan daarbij betrokkenen.
En precies op dat moment, terwijl we deze verantwoordelijkheid deelden in de klas, hoorde ik een snuivend geluid achter me. Misschien was het gewoon een neus die opgehaald werd. Misschien ook niet.
Maar als het dat níet was, als het een spottende uitademing was, dan zegt het iets over hoe diep geworteld het perspectief van de gemiddelde student nog altijd is. Namelijk dat twijfelen naïef is, dat je gewoon een besluit moet nemen, dat je lastige zaken op kunt lossen met een goed gesprek. Het geluid was klein. Maar het effect was groot. Mijn lijf trok nog verder dicht. En ik nam de spanning mee naar huis.
Ik was vandaag dan ook geraakt toen ik het artikel van Rob van der Poel las over de Bildung Climate School. Hierin beschrijft hij hoe studenten doelbewust worden ontregeld: niet om te choqueren, maar omdat je niets kunt leren zolang je de werkelijkheid ontkent.
“Onderwijs houdt rekening met de wereld zoals zij werkelijk is, niet zoals we graag zouden willen dat zij is.” Die zin bleef hangen.
Want in mijn les voelde ik precies het tegenovergestelde. We kregen de opdracht om te beslissen alsóf de wereld eenvoudig is. En in plaats van dat er besproken werd dat het dit niet was (exact zoals de colleges daarvoor intellectueel bevestigd was) werden de voorstellen die onthaald werden als prachtige eenvoudige werkzame oplossingen en goede denkrichtingen onthaald.
Het ongemak werd niet besproken. Niet de ‘mooi voorstel, maar wat als het faalt’, daarvoor was geen tijd in de les. Het snuivende geluid werd zo in mijn onderbuik een microscopisch voorbeeld van iets groters: de neiging om morele complexiteit weg te lachen wanneer ze te dichtbij komt.
In de klas hoor ik stemmen die heel redelijk klinken. “Dan praten we opnieuw met de betrokkenen.” “Dan geven we betere voorlichting.” “Dan zorgen we dat de machtsverhoudingen helder zijn.” Het zijn geen verkeerde antwoorden. Ze passen alleen niet bij de vraag die in míj wakker werd.
Het was niet de casus die me raakte. Het was de suggestie dat ethiek iets beheersbaars is, iets wat je in dertig minuten kunt afronden, alsof je even een ja/nee-schuifje omzet.
Mijn lijf wist beter.
Misschien was dat waarom Rob’s stuk me zo trof. Hij schrijft dat Bildung geen verzameling antwoorden is, maar een manier van aanwezig zijn. Dat onderwijs, zeker in een kantelende wereld, vraagt dat we erbij blijven—bij het ongemak, bij de complicaties, bij het niet-weten dat ons soms letterlijk doet verkrampen. Niet oplossen. Niet gladstrijken. Niet wegredeneren.
‘Blijven’.
In die klas voelde ik dat en mijn groepsgenootje verwoordde het helder toen ze zei: “ik kon niet meteen denken.” Onze lichamen bleven hangen in de vraag wat het betekent om verantwoordelijkheid te nemen voor gevolgen die zich uitstrekken voorbij ons leven (als beleidsmedewerkers in de casus), voorbij het bestaan van een bedrijf, voorbij de horizon van mijn voorspellingen. Wie draagt dat? Wie neemt over als wij verdwijnen? Dat is geen bestuurskundige vraag. Dat is een existentiële vraag.
Het voelde niet als een strategie maar als een houding: we nemen verantwoordelijkheid die groter is dan onze besluitvormingscyclus. Ook later. Ook als de subsidie stopt. Ook als wij elders werken. We erkennen de keten van gevolgen waarvan we het einde niet kunnen zien.
En misschien was dat het eerste moment in deze collegereeks waarop ik dacht: ja, dít is het onderwijs waar ik voor gekomen ben. Niet het steriele praten over risico’s. Niet de academische balansoefeningen die soms doen alsof de wereld in tabellen past. Maar het oefenen van een morele gevoeligheid die begint in het lichaam, daar waar de kramp zit, en zich langzaam uitstrekt naar de wereld. En dat ik er daarom van baalde dat we maar een half uur hadden.
Misschien is dit precies wat microbiologie zo ontregelend maakt. En waarom ik er nu, ruim 25 jaar nadat ik ben afgestudeerd als microbiologisch analist, er nog altijd graag meer over leer. De microbiologie confronteert je met schaal. Met tijd. Met relaties die zich niet laten sturen. Met systemen die zich niets aantrekken van onze bestuurlijke routines. Microben leven niet in beleidsdocumenten. Ze leven in de wereld en dus ook in onze kwetsbaarheid.
Wat betekenen onze keuzes wanneer de gevolgen microscopisch beginnen en macroscopisch eindigen? Wanneer een goedbedoelde interventie elders ecosystemen, culturen, generaties raakt?
Ik denk dat Rob gelijk heeft. Dat erbij blijven misschien wel de belangrijkste pedagogische houding is voor deze tijd. Dat we leren dat verantwoordelijkheid nemen niet begint bij principes maar bij gevoeligheid. Misschien moeten we in onderwijs ( en eigenlijk overa) minder oefenen in het nemen van snelle besluiten en meer oefenen in het verdragen van complexiteit.
Wat we nodig hebben is een ethiek van verbondenheid, niet van controle. Een ethiek waarin we niet de illusie hebben dat wij de wereld fixen, maar wel dat we haar recht in de ogen kijken. Ik laat mensen het graag ervaren in spel, omdat dit vaak een relaxte manier is om te blijven bij wat is en voelen wat wil worden.
Rob maakt het groter noemt dat een pedagogische beweging in wording. Ik denk dat mijn les, onverwacht, precies daar deel van werd.