Ik wist als kind eigenlijk niet goed wie 'ik' nu was. Was ik mijn hobbies? Mijn plek in het gezin? Dat kon toch niet de waarheid zijn? Als ik mijn ervaringen naging dan leek het een beetje alsof ik een geest in een lichaam was. Dat ik ergens daarbinnen zat, veilig achter mijn ogen, als een piloot in een cockpit. Mijn lichaam was het voertuig, mijn gedachten waren van mij. En als ik in de spiegel keek, zag ik een bekende buitenkant en wist ik: dát ben ik.

Totdat er momenten kwamen waarop dat allemaal wegviel.

Niet langzaam, niet geleidelijk, maar als een golf die me overspoelde. Ik stond in de achtertuin hoorde de wind door de bladeren en voelde het in mijn haren, en ineens was er geen binnen of buiten meer. Geen ik en de rest. Alleen beweging. Het ritselen van de struiken was niet naast me, niet om me heen, maar iets waar ik deel van was. Alsof ik even geen afzonderlijk wezen was, maar simpelweg aanwezig in het grote geheel.

Het was overweldigend. Het leek alsof ik, heel even, voelde waar religies woorden voor hadden bedacht. Had ik een ziel? Was dit die eeuwige vonk waar mystici over spraken? Was dit wat bedoeld werd met verlichting, geen extase, geen euforie, maar simpelweg verdwijnen in het moment? (Oke, die woorden had ik toen nog niet, ik was destijds zeven. Maar dit was hoe ik er later over dacht.)

Jaren mijmerde ik erover. Want: welke van de twee was waar? Was ik een lichaam met een bewustzijn, of een bewustzijn dat toevallig in dit lichaam zat? Was die diepe ervaring van eenheid een spirituele waarheid, of gewoon een glitch van mijn brein? Een toevallige chemische vonk in een overprikkeld zenuwstelsel?

En toen begin ik te improviseren. En dat veranderde alles. Twee spelers op een podium, zonder script, zonder houvast. De een bewoog, de ander volgde, en plotseling ontstond er een scène. Niet omdat iemand het had bedacht, maar omdat het alleen in de interactie bestond. Er was geen ‘ik’ die besloot, alleen een wederzijds ontstaan.

En zelfs alleen op het podium gebeurde dit. Alsof 'ik' samenviel met dit moment. Ik was de volgende beweging, al wist ik voordat die er was nog niet wat het was. Maar het was altijd kloppend. Meer passend dan als ik het had bedacht.

En toen herkende ik het in de natuur. Zwermen vogels die als één wezen bewogen, zonder leider, zonder vooropgezet plan. Wortels die hun weg vonden door de grond, niet volgens een blauwdruk, maar in direct contact met obstakels en voedingsstoffen. Wat als ik dat ook was?

Niet een geest gevangen in een lichaam, niet een losse eenheid in een wereld vol anderen, maar een gebeurtenis. Een voortdurende verwevenheid met de wereld. Niet een kern, niet een omhulsel, maar een proces dat altijd in beweging was.

Misschien had ik het altijd verkeerd gevraagd.

Misschien was ik geen losse vonk, geen geïsoleerde geest, geen opgesloten bewustzijn. Misschien was ik, net als alles, altijd al aan het stromen. Net als wij allemaal...