Mijn klas en ik hadden elkaar gevonden. We waren inmiddels een paar maanden in het schooljaar en de nieuwe leerling die we een maand geleden in de klas hadden gekregen, wat wel vaker gebeurd in het VSO, leek zich goed te voegen.
Johan was een grote jongen van 14 met een stralende glimlach die zich gemakkelijk liet afleiden door zijn klasgenoten. Zijn eerste week was voor iedereen zwaar geweest en ik had de groepsleiding toen elke dag gebeld om hen op de hoogte te stellen van zijn lesdag. Ondanks het feit dat hij zich echt probeerde in te houden, ging het ook nu nog vaak verkeerd. Het doel in de klas was in dit vroege stadium nog niet om zich in de hand te gaan houden maar ‘te gaan herkennen’ wat de momenten waren dat hij de grip op zichzelf kwijtraakte. Elke keer keek hij me aan zodra hij het besefte en ik knikte bevestigend. ‘Je hebt het goed gemerkt’ om hem vervolgens zo snel ik kon te komen helpen weer rustig te worden.
Op deze bewuste dag zat Johan echter al enige tijd rustig te werken. Diep voorovergebogen over zijn schrift, net als de rest van zijn klasgenoten. Het was inmiddels drie minuten voor de pauze en in plaats van te vertellen dat ze hun laatste werk konden afronden, zodat de leerlingen klaar waren om rustig de pauze in te gaan, pakte ik de telefoon, toetste het nummer van de groep in en hield het toestel aan mijn oor. Ik noemde mijn naam en direct hing er een gespannen stilte in de klas. Ik schraapte mijn keel en ging verder. 'Ik bel over Johan,' zei ik, terwijl ik mijn blik op Johan richtte. Hij veerde op, alsof hij zich wilde verdedigen.
De rest van de klas keek enkel verbaasd. Hij was toch rustig nu? 'Normaal bel ik alleen tijdens de les als het niet goed gaat,' zei ik, 'Maar ik wilde nu even bellen om te laten weten dat hij het heel goed doet.'
Twee meisjes gebaarden waarderend naar elkaar en ik zag Johan ontspannen achterover zakken. Zijn blik naar mij was zacht, ongelovig en hoopvol. We zijn daarna pauze gaan houden, gewoon omdat het tijd was. Maar in die drie minuten waren Johan en ik veranderd.
Ik had hem heel even gezien als mens. Niet als iemand die zich goed moet gedragen, waar ik verantwoording over mijn handelen over diende af te leggen of waar ik – in het kader van zijn toekomst- een beslissing over moest maken. Ik zag hem. Ik zag dat hij aan het werk was. En ik wilde dat moment niet stilletjes voorbij laten gaan.
Wat hij ‘goed deed’ in mijn ogen was niet de uitkomst van een vast script (ik had er 3 minuten voor tijd niets geks aan gevonden als zijn concentratie ‘op’ was, zoals bij veel leerlingen dan het geval is. Wat zichtbaar werd in hoe hij bezig was in dat moment werd zichtbaar in de ruimte die ontstond omdat ik er even niet over oordeelde. Ik zag hem als mens. Als aanwezigheid. En ik merkte dat ik dat waardeerde. En dat wilde ik zijn begeleiders op de jeugdkliniek laten weten. In die drie minuten gebeurde er iets wat buiten de lesdoelen viel. Iets wat niet in cijfers past. Maar het was onderwijs, misschien wel meer dan alles wat we ooit hebben gepland.
Er zijn momenten waarop onderwijs zichzelf overstijgt. Niet omdat het effectiever is, maar omdat het ontregelt. Een systeem waarin je enkel telt als je vooruitgang boekt, wordt heel even poreus wanneer iemand mag bestaan zonder bewijslast. Wat daar gebeurde tussen Johan en mij, was geen beloning voor gewenst gedrag. Het was een resonantie. Een verschuiving van toezicht naar aanwezigheid. Van registratie naar erkenning.
En misschien is dat wel waar onderwijs begint. Niet bij methodiek of motivatie, maar bij het toestaan dat iemand zich mag laten zien, precies zoals hij op dat moment is.